COLUMN TUSSEN BERG EN BOS: Aan- en uitknop

Heerlijk. Lekker een paar daagjes er tussenuit, denk je dan. Kon ik dat ook maar zeggen van de naweeën. Echt, het is bar en boos. Ik loop al een week lang te pruttelen als een ouwe stoomlocomotief. Het hoesten vertoont een enge gelijkenis met blaffen. Ik bijt er alleen nog niet bij. Droge mond. Een keel die aanvoelt als schuurpapier. Loopneus. Een hoofd dat bijna uit elkaar knalt. Kortom, de ergernis en erfenis van een paar daagjes Madrid. Met dank aan een ventilator. Muchas gracias!

Ja, het valt niet mee. Ik durf gerust te beweren, het valt vies tegen. En niet zo’n heel klein beetje ook. Achteraf praten is altijd makkelijk. Had ik maar dit of had ik maar dat. Had ik maar zus of had ik maar zo. Tsja, als ik alles van tevoren wist, dan kocht ik elke maand wel een winnend Staatslot. In zo’n geval hoef ik me nergens meer druk om te maken. Je kunt bovendien heel veel plannen, niets blijft echter zo veranderlijk en onvoorspelbaar als het weer. In mijn geval was het funest. De barre klimatologische omstandigheden drukten me keihard met de neus op de feiten. En feit was dat in de sauna waar ik overnachtte airconditioning ontbrak.

Wat doe je in zo’n precaire situatie? Je draait de aanwezige ventilator vol open in de hoop dat die voor enige verkoeling kan zorgen in bloedhete nachten. Twee nachten in de hoogste stand in een poging om enigszins aangenaam te kunnen slapen. Om vooral niet transpirerend je bed uit te drijven. En als je dat dan, zoals ik heb gedaan, combineert met een uitstapje naar Soria, waar het zo’n vijftien grader kouder was dan in de Madrileense bakoven, dan kom je vanzelf van de koude kermis thuis. Dan moet je wel van héél goeden huize komen om niet spontaan te gaan snotteren. En inderdaad, een week na thuiskomst zie ik nog steeds af. En dan moet de herfst nota bene nog beginnen.

Ach, en zo is er altijd wel wat in Spanje. Ooit verbleef ik in het centrum van Madrid in een ander hostal. Mijn kamer had in Madurodam niet misstaan. Zó klein. Ik kon er m’n kont niet keren. Het krakende bad paste er te nauwer nood in. In een soort kast stak een pijpje uit het plafond waar water uit kwam. De douche. Ik moest vooral niet te veel bewegen, anders kwam ik vast te zitten. Zó weinig ruimte. Budget en basic van het meest krappe soort. Voor twee tientjes per nacht, of zo. Ik ben blij dat ik het nog kan navertellen.

Het meest schokkende gebeurde één etage hoger. Daar gaven mijn bovenburen zich nogal onstuimig over aan het liefdesspel. Spanjaarden staan algemeen bekend om hun temperament, maar je houdt niet voor mogelijk hoe furieus die gente daarboven tekeer gingen! Ze wisten niet van ophouden. Dat het nogal gehorig was, was tot daar aan toe. Het betrof immers een oud gebouw. Dan piept en kraakt er wel meer. Dat ze plezier hadden, viel op zich ook best te billijken. Ik gun iedereen z’n pretje. Het uithoudingsvermogen van het amoureuze duo was ongekend. Bewonderenswaardig zelfs. Er kwam maar geen einde aan. Ik heb de hele nacht doodsangsten uitgestaan. Geen oog dicht gedaan. Bang dat het plafond naar beneden zou komen van zóveel geweld…

Zo moet je tegenwoordig echt overal rekening mee houden. Vierentwintig uur per dag scherp blijven. Constant beducht zijn op het onverwachte. Of het nou in een hotelkamer is, op straat of in het vliegtuig. Want op de terugvlucht vanuit Madrid trof ik het evenmin. Je hebt van die lieden die structureel klagen over alle vermeende ongemakken tijdens een vlucht met Ryanair. Dat uitgerekend op de rij achter mij een moeder met twee kleine jochies plaatsnam, kon ik de Ierse prijsvechter moeilijk aanrekenen. De kleinste van het tweetal, hooguit een jaar of drie, schreeuwde meer dan twee uur lang het hele vliegtuig bij elkaar. Wát een longinhoud, dat kleine ettertje. Alle inzittenden stoorden zich mateloos aan het geblèr. Moeders zat erbij, luisterde ernaar en liet haar schreeuwlelijkje vrolijk begaan. We zijn tenslotte allemaal alleen op de wereld. Alsof die blazende ventilator me al niet meer dan genoeg toegetakeld had. Je moet het maar verdragen.

Wát was ik blij toen het vliegtuig landde. Snel eruit. Frisse lucht. Eindelijk van dat gejengel af. Ja, had je gedacht. Moeders moest ook met kroost én bagage van boord en blokkeerde pontificaal de gangpaden. Een diepe zucht van mijn kant nam ze me niet in dank af. In het Duits zei ze dat ze de twee kleine kinderen bij zich had. Ik antwoordde haar netjes dat iedereen aan boord daar de voorgaande twee uur volop van mee had kunnen genieten. Fout, fout, fout. Dat háár lieve zoontje iedereen hoofdpijn bezorgde, had ík kunnen voorkomen. Bij een volgende gelegenheid moest ik maar een ander vliegtuig nemen, snauwde ze me toe. Volstrekt logisch toch! Dom van me dat ik daar niet zelf aan gedacht had.

Het wordt zo langzamerhand steeds gekker. Of het nou gaat om wippende hotelgasten, gestreste moeders die met kleine kinderen op reis gaan of een ventilator in een oververhitte kamer, ik moet alles maar accepteren als een vanzelfsprekendheid. Ik moet me aan alles en iedereen aanpassen. En o wee, wanneer ik iets doe wat een ander onverhoopt niet zint…

Gelukkig heeft zo’n ventilator dan in elk geval nog het voordeel dat ik ‘m aan en uit kan zetten, zelfs nadat het onheil is al geschied. Soms is het weleens jammer dat er op mensen geen aan- en uitknop zit.

RK

Reacties